Vorige pagina    Harmony Assistant    Volgende pagina 
 

Inleiding
Producten
Wat is er nieuw ?
Handleiding
Notatie
Inleiding
Muziektheorie
Sjablonen
Paginaweergave
Graveurweergave
Positionering
Discontinue selectie
Presentaties
Doelen
Overbinding, boog en waardestreep
Tabulaturen
Meerstemmige notenbalken
Notatie in kleur
Gregoriaanse notatie
Overgangen
Sleutel
Voortekening
Maataanduiding
Dynamiek
Tempo en voortgang
Liedteksten/Karaoke
Vrije objecten
Tekstuele commando's
Lettertypen
Tekensets
Geluidsweergave
Apparaten/scripting
Virtual Singer
FAQ
Software licentie
Technische ondersteuning
Appendices
Afdrukbare handleiding


Gewijzigde hoofdstukken:
In het Engels:

 

Voortekening

Muziektheorie in het kort

De voortekens in een muziekstuk zorgen ervoor dat u een verandering van tonaliteit kunt aangeven. Zo kan bijvoorbeeld de toonladder binnen het stuk worden gewijzigd.
Hier staat de lijst van alle noten die binnen een octaaf kunnen worden gespeeld:

   1   
2    3  
4    5   
   6   
7   8  
9   10  
11   12  
C C# 
of Db
D D# 
of Eb
E F F# 
of Gb
G G# 
of Ab
A A# 
of Bb
B


Elke noot is een halve toon lager dan de volgende.
Een majeure toonladder heeft zeven noten met onregelmatige intervallen tussen iedere noot. Vanaf de grondtoon van de ladder zit iedere noot op de locaties voor de halve tonen van +2, +4, +5, +7, +9 en +11. Bij een ladder voor C majeur zijn dit de halve tonen 1, 3, 5, 6, 8, 10 en 12. Dat is de toonladder C, D, E, F, G, A, B.
Bij de D majeur toonladder volgt uit de volgorde van de intervallen een toonladder die is opgebouwd uit de halve tonen 3 (de grondtoon), 5, 7, 8, 10, 12 en 14. Halve toon #14 is in feite de 2e halve toon van het volgende hogere octaaf.
De D majeur toonladder is dus D, E, F#, G, A, B en C#.

In een muziekstuk dat gebruik maakt van de toonladder D zijn alle F en C noten gekruist. Om de notatie duidelijker te maken, worden deze twee kruisen slechts één keer getekend, en wel direct na de sleutel. Zo wordt aan de uitvoerder verteld welke toonsoort gebruikt zal worden. Op deze manier worden ook de standaard voortekens (de noten met de kruisen en de mollen) aangegeven.
Om te bepalen welke toonsoort in een muziekstuk gebruikt wordt, telt u het aantal kruisen en mollen dat na de sleutel staat:


Aantal kruisen
Majeure toonsoort
Mineure toonsoort
  Aantal mollen Major Key Minor key
0
C
Am
 
0
C
Am
1
G
Em
 
1
F
Dm
2
D
Bm
 
2
Bb
Gm
3
A
A#m
 
3
Eb
Cm
4
E
C#m
 
4
Ab
Am
5
B
G#m
 
5
Db
Gbm
6
F#
D#m
 
6
Gb
Ebm
7
C#
A#m
 
7
C
Abm


De groep van deze tekens die direct na de sleutel worden geplaatst, vormen samen de vaste voortekens.
In het algemeen zijn de voortekens binnen het muziekstuk op alle notenbalken van toepassing. Sommige instrumenten, zoals de klarinet, de saxofoon, de trompet of de hoorn, spelen de noot niet precies zoals hij op de notenbalk staat. Zij spelen de noot met een aangegeven aantal halve tonen hoger of lager.
Zij worden "transponerende instrumenten" genoemd.

Tip: In de programmatuur kunt u een notenbalk toekennen aan een transponerend instrument. Hiertoe gebruikt u de menu optie "Notenbalk>Transponerend instrument instellen". U kunt ook "Pas transponerend instrument toe" gebruiken in het contextuele menu van de de notenbalk .

Een voorbeeld: op de notenbalk voor een hoge klarinet worden de noten twee halve tonen beneden de werkelijk geschreven noot gespeeld.
Als de C noot in het muziekstuk staat, dan speelt de klarinet een Bb. Het is een Bb transponerend instrument. Om met een klarinet een opgaande C notenbalk te spelen (dat wil zeggen de noten C, D, E, F, G, A en B), dan moet u D, E, F#, G, A, B en C# opschrijven. Dat is een D majeur notenbalk.
Als het hele muziekstuk in C majeur is geschreven en geen vaste voortekens heeft, dan heeft de notenbalk voor de klarinet twee vaste voortekens. Het lijkt dus net alsof het in de toonsoort D majeur werd geschreven.

Opmerking: De programmatuur breidt de notie van transponerende instrumenten uit naar ieder instrument dat de noot niet precies speelt zoals hij is opgeschreven.
Dit betekent dat instrumenten zoals de piccolo of de bas, die geen transponerende instrumenten zijn, eveneens meegenomen worden als u daarvoor kiest.

Locatie


Een verandering van de toonsoort wordt altijd geplaatst aan het begin van een maat. U kunt een verandering van de voortekens in iedere maat van het muziekstuk plaatsen.
Dit betekent dat een notenbalk bijvoorbeeld met de toonsoort C majeur kan beginnen, om een aantal maten later omgezet te worden naar een F majeur.

Wijzigen

Algemene wijziging:
Om de algemene toonsoort van een muziekstuk te wijzigen, kiest u "Partituur>Toonaard en voortekening". Het bewerkingsvenster voor de toonaard en de maten wordt dan getoond.

Lokale wijzigingen:
Er is een toegespitst palet ("Vensters>Sleutel & maat/toonsoort hulpmiddelen") beschikbaar. Het palet bevat de hulpmiddelen voor het wijzigen van de toonsoort, de sleutel en de maataanduiding.
Klik op de toonaard knop (het icoon toont twee kruisen) en klik nu op een maat. Het venster voor het bewerken van de toonaard wordt nu geopend.

Selecteren van een toonaard


In het wijzigingsvenster kiest u de tab "Bewerk toonaard". Bovenaan het venster ziet u nu een voorbeeld van de toonaard die nu nu gaat wijzigen.

Met de schuifbalk kunt u van de huidige toonaard kruisen en mollen aanbrengen of juist verwijderen. Gevorderde gebruikers kunnen ook hun eigen toonaard definiëren. Hiertoe bepalen zij de gewenste keuze aan de rechterkant. Daaronder geven zij de grondtoon aan.

Met de "Toon sleutel" checkbox kunt u aangeven of de toonaard wel of niet wordt weergegeven. Geef echter geen onzichtbare veranderingen van de toonaard op, vooral
om er zeker van te zijn dat uw muziekstuk leesbaar blijft.

Het vertoon type toonaard bepaalt of herstellingstekens worden gebruikt om eerdere wijzigingen in de toonaard ongedaan te maken.

De Pas de veranderingen tot het einde van de melodie toe checkbox helpt u om alle wijzigingen in de toonaard door te zetten. Uiteraard na de toonaard die u nu aan het bewerken bent. Als u bijvoorbeeld de toonaard wisselt van C naar D, dan worden alle toonaarden verhoogd met twee halve tonen. In dat geval wordt een G toonaard (één kruis) in het stuk omgezet naar een A (drie kruizen).

Onderaan het venster vindt u pop-up vensters. Hier kunt u kiezen:

• Het transponeren dat op noten moet worden toegepast zodra een nieuwe toonaard in het stuk wordt ingevoegd.
De noten die deze toonverandering volgen, kunnen:
  • Geen wijziging krijgen: in dit geval verandert hun schermlocatie zodanig dat zij dezelfde toonhoogte zullen afspelen als voor de verandering.
  • Omhoog getransponeerd worden: de noten zullen afspelen in de nieuwe toonaard, en wel hoger dan voor de verandering.
  • Omlaag getransponeerd worden: de noten zullen afspelen in de nieuwe toonaard, en wel lager dan voor de verandering.
  • Qua locatie grafisch niet veranderd worden: de noten blijven op dezelfde grafische locatie op de notenbalk (maar zij zullen een andere toonhoogte hebben vergeleken met de toonhoogte die zij voor de verandering hadden).
• Op welke notenbalken de toonverandering moet worden toegepast.
Dit kan enkel de huidige notenbalk zijn, alle notenbalken in het muziekstuk, of alleen de geselecteerde notenbalken.
Bij de laatste twee gevallen kunt u kiezen of de verandering absoluut of relatief zal zijn.
Als hij absoluut is, dan wordt de toonverandering toegepast zoals hij is op andere notenbalken.
Als hij relatief is, dan wordt de toonverandering zodanig toegepast dat iedere wijziging tussen twee notenbalken (vanwege de transponerende instrumenten) wordt meegenomen. Verderop staat meer informatie. Als u twijfelt, kies dan de relatieve modus.

De absolute en relatieve modus

Een verandering van de toonaard kan zowel absoluut als relatief worden toegepast.

Als u hem absoluut toepast:

    De nieuwe toonaard wordt ingevoegd "zoals hij is" in alle gewenste notenbalken. Dat wil zeggen in alle notenbalken die in dezelfde toonaard zullen spelen op hetzelfde moment. Tenzij er transponerende instrumenten worden gebruikt, geldt dit in het algemeen voor alle muziekstukken. De toonaarden worden met een bepaald aantal halve tonen verschoven ten opzichte van de normale toonaard. Hierdoor zal het toepassen van van dezelfde toonverandering op alle notenbalken, ook op die van transponerende instrumenten, verkeerde toonaarden tot gevolg hebben.
Als u hem relatief toepast:
    De programmatuur berekent het verschil in halve tonen tussen de grondnoot van de huidige toonaard (op de locatie waar u geklikt heeft) en de nieuwe toonaard die u wilt invoegen. Het verschil wordt dan toegepast op de toonaard van deze maat voor alle gewenste notenbalken. De verandering bij transponerende instrumenten wordt dan behouden.
    Als u bijvoorbeeld een notenbalk heeft met een D toonaard en een andere notenbalk in G, dan volgt uit het invoegen van een E toonaard voor de eerste notenbalk het volgende:
      - Het verschil tussen de oude en nieuwe toonaarden is E-D = 2 halve tonen
      - De toonaard van de eerste notenbalk wordt verhoogd met twee halve tonen: D+2 halve tonen = E
      - De toonaard van de tweede notenbalk wordt verhoogd met twee halve tonen: G+2 halve tonen = A toonaard
    Wees echter voorzichtig: als u uw eigen toonaarden gebruikt, dan kan het programma geen verschuivingen omhoog of omlaag voor u uitvoeren (het is niet mogelijk om te bepalen op welke plaats de voortekens moeten worden ingevoegd en waar dat moet zijn). Als er dergelijke toonaarden in uw muziekstuk zijn, dan zal alleen de grondnoot worden verschoven zoals u dat opgaf, maar de voortekens zullen niet worden gewijzigd.


    Samenvattend: Het wordt niet aangeraden om de absolute verandering van toonaard te gebruiken op notenbalken die voor transponerende instrumenten zijn.
    Daar tegenover staat dat de relatieve verandering van toonaard geen nieuwe voortekens berekent als u gebruik maakt van uw eigen gedefinieerde toonaarden.


(c) Myriad - Alle rechten voorbehouden